Leeswijzer week 50

PASTORALE BRIEVEN

In het Nieuwe Testament zijn er drie brieven die bekend staan als de ‘pastorale brieven’: 1 Timoteüs, 2 Timoteüs en Titus. De brieven worden de ‘pastorale brieven’ genoemd omdat er talrijke instructies in staan voor het pastorale beleid van de leiders van de gemeenten.

De pastorale brieven zouden geschreven zijn door Paulus en geadresseerd aan een medewerker van Paulus.  Het zou ook goed kunnen dat de brieven niet van Paulus zelf, maar uit ‘de school’ van Paulus afkomstig zijn. De bedoeling is dan om in de geest van de apostel de voorgangers te begeleiden.

In de pastorale brieven worden ‘dwaalleraren’ bestreden. Soms gaat het om voormalige leerlingen van Paulus, vaak worden ze lijnrecht tegenover de betrouwbare Paulusaanhangers gezet. Beide groepen verkondigden waarschijnlijk een simpele versie van de leer van Paulus, al bieden de brieven daar geen uitgebreide informatie over. De brieven lijken het onderwijs van Paulus samen te vatten. Een belangrijk onderdeel hiervan zijn de gedragsregels voor in de gemeente en voor in het dagelijks leven.

De brief aan Filemon is wel van Paulus en is geschreven naar aanleiding van een concrete kwestie: de verhouding tussen Filemon en zijn weggelopen slaaf Onesimus. Met zijn brief treedt Paulus op als bemiddelaar tussen Filemon en Onesimus. Paulus lijkt onzeker over hoe Onesimus ontvangen zal worden door Filemon en wil zijn terugkeer in goede banen leiden.

Bij brieven is het probleem, of juist de aardigheid, dat je net als bij een telefoongesprek maar één kant hoort van een gesprek dat tussen twee partijen gaande is. Uit wat de auteur schrijft, moet je zien op te maken wat er aan de andere kant aan de hand is. Zo kun je proberen om het verhaal van de weggelopen slaaf Onesimus te reconstrueren aan de hand van de gegevens uit de brief aan Filemon. Maar je kunt je ook verwonderen over de milde en praktische menslievendheid van de briefschrijver.

 

HEBREEËN

Het is maar de vraag of de brief aan de Hebreeën wel echt een brief is. De gebruikelijke begroeting aan het begin ontbreekt, en inhoudelijk lijkt het boek meer een theologische verhandeling dan een brief. Toch wordt het beoogde publiek net als in de brieven van Paulus aangesproken met ‘broeders en zusters’ en ‘geliefden’, en eindigt het boek met een slotgroet. Hoe het ook zij, uit het boek blijkt in elk geval dat de schrijver het geschreven heeft met een concreet, hem bekend publiek voor ogen.

Uit het boek blijkt dat een deel van de beoogde lezers meer interesse krijgt voor het joodse geloof, hetgeen ten koste zou kunnen gaan van het christelijke geloof. De schrijver wil voorkomen dat zijn lezers hun christelijk geloof verliezen. Centraal in de brief staat daarom de vergelijking tussen het jodendom en het christendom. Op basis van passages uit het Oude Testament wil de schrijver laten zien dat Jezus de vervulling is van de beloften die vroeger gedaan zijn, en dat met Jezus een nieuw tijdperk is aangebroken. Een belangrijk motief in het boek is het beeld van Jezus als hogepriester in de hemel. Aan de hand van het Oude Testament wordt beschreven hoe het jodendom een hogepriester heeft in de tempel. De schrijver wil laten zien dat ook Jezus een hogepriester is, maar dan van een ander soort. Jezus is niet tijdelijk hogepriester, zoals de joodse priesters, maar voor eeuwig; met zijn dood heeft hij voorgoed de zonden weggenomen. Hij is geen priester op aarde, maar in de hemel, bij God.

Je kunt je afvragen of de schrijver van Hebreeën een brug slaat tussen joden en christenen, of dat hij juist de afstand onoverbrugbaar groot maakt.

Ds. Bert de Wit